Wielrennen

Wielrennen

Wielrenners rijden op een racefiets. Wat maakt deze tweewieler zo snel?
Een racefiets heeft superdunne bandjes. Hierdoor remt hij niet zo snel af op de weg. Je kunt dus harder fietsen. De racebanden worden tubes (je zegt: tjoehps) of tuubs genoemd. Er zit geen aparte binnenband in. Dat is niet nodig want de tuub is eigenlijk een binnen- en buitenband tegelijk. Oppompen en plakken? Daar doen ze tijdens een wielerwedstrijd niet aan. Hup, gelijk een nieuw wiel erop. Dat is in een paar seconden gepiept!

Een racefiets heeft tien of meer versnellingen. Met een versnelling kun je zorgen dat je minder zwaar hoeft te trappen. Bijvoorbeeld als je een helling oprijdt. Als je een heuvel afgaat, is het juist weer handig om een zwaardere versnelling te kiezen. Je kunt dan lekker snel zonder dat je trappers zo vaak ronddraaien. Natuurlijk herken je een racefiets meteen aan het stuur. De wielrenner kan hiermee goed voorover gebogen zitten. Daardoor heeft hij minder last van de wind.

Op een racefiets zitten alleen dingen die echt nodig zijn. De bel, verlichting en spatborden zijn weggelaten. Een lichte fiets vooruit trappen kost minder kracht. En misschien zie je het niet, maar de racefiets is niet gemaakt van staal. In plaats daarvan zijn superlichte, moderne materialen gebruikt (titanium, koolstofvezel en aluminium). Daardoor weegt een racefiets maar de helft van een gewone fiets. De voet van de renner zit in een toe-clip (je zegt: toow-klip). Zo kan hij goed afzetten zonder dat zijn voet van de trapper glijdt.

Wielrennen is een teamsport
Je zou het misschien niet zeggen, maar wielrennen is een echte teamsport.
Zonder hulp van zijn ploeg is het voor een coureur erg moeilijk om te winnen. Zelfs als je zo supersterk bent als Lance Armstrong. Voor een wedstrijd bekijkt de ploeg wie de meeste kans heeft om te winnen. Meestal is dat steeds dezelfde persoon. Hij is de kopman van de ploeg. Het klinkt wat onaardig, maar de rest van de renners zijn ‘knechten’. Zij moeten zorgen dat de kopman zo weinig mogelijk energie verspilt. De knechten knappen de vermoeiende rotklusjes op. Wat dan bijvoorbeeld? Het is makkelijker om achter iemand te rijden dan ervoor. De voorste renner moet namelijk eerst alle lucht ‘opzij duwen’. De renner die daar achter rijdt, hoeft dat niet meer te doen. Als ploeggenoten om de beurt voor hun kopman gaan rijden, bespaart hij dus veel energie. Soms wil een ploeg niet dat er iemand een te grote voorsprong krijgt op het peloton. Bijvoorbeeld omdat die renner dan de eerste plaats in het klassement overneemt van hun kopman. In zo’n geval gaan zijn ploeggenoten als een gek achter die tegenstander aan. En zo zijn er nog veel voorbeelden te noemen. Meestal kost het de knechten zoveel kracht dat ze zelf geen kans meer hebben om te winnen. Maar dankzij hun harde werk heeft de kopman juist meer kans.

Truien
Soms zie je wielrenners rijden met een speciaal shirt (of trui, zoals dat in de wielersport heet). Hieronder kun je lezen wat ze betekenen:

  • De gele trui: de eerste plaats van het algemeen klassement in de Ronde van Frankrijk.
  • De bolletjestrui: sommige etappes in de Tour de France gaan dwars door de bergen (de Alpen en de Pyreneeën). De weg is daar behoorlijk steil. De wielrenner die als eerste boven komt, krijgt extra punten in het bergklassement. De nummer één van dat klassement mag de bolletjestrui aan.
  • De groene trui: de eerste plaats in het puntenklassement van de Tour. Renners krijgen punten als ze de eindsprint (bij de finish) winnen of een tussensprint (een sprint halverwege de etappe).
  • De witte trui: voor de beste renner in de Tour jonger dan 26 jaar.
  • De regenboogtrui: de wereldkampioen
  • De rood-wit-blauwe trui: de Nederlands kampioen
  • De roze trui: eerste plaats in de Ronde van Italië
  • De gouden trui: eerste plaats in Ronde van Spanje

Site voor kinderen van 6 tot 13 jaar. Veilig, fun en educatief.